Hardware

Voor het bedienen en besturen van een digitale modelbaan heb je apparatuur nodig. Dat varieert van eenvoudige drukknoppen via wisselmotoren, ingebouwde elektronica als wissel- en functiedecoders, via een centrale tot en met computers en computer-interfaces.

Digital Command Control of DCC

Een kort voorbeeld van een DCC-signaal, dat laat zien hoe de informatie gecodeerd is
Een kort voorbeeld van een DCC-signaal, dat laat zien hoe de informatie gecodeerd is; © Wiki

Het bekendste digitale systeem voor het aansturen van loc’s en wissels is Digital Command Control (DCC). De eerste versie werd in 1989 door ontwikkelaar Lenz Elektronik GmbH op de markt gezet. Na onderzoek werd dit systeem in 1993 door de National Model Railroad Association (NMRA) geadopteerd en tot NMRA DCC standaard verheven.

Bij DCC wordt de eerdere wissel- of gelijkspanning op de rails vervangen door een blokspanning met variabele puls-breedte, waarin de commando’s per locomotief of wissel kunnen worden meegestuurd. De hoogte of ‘amplitude’ van deze pulsen verandert niet, waardoor er zelfs betere rij-eigenschappen ontstaan bij lage snelheden.

Centrale, decoders

DCC spanning wordt geproduceerd in een ‘centrale’, een stuk elektronica dat de kern van de hardware besturing van de layout vormt. Door middel van bedieningselementen op de centrale zelf of aan te sluiten ‘hand controllers’ worden opdrachten gegeven die door de centrale worden omgezet in DCC commando’s, die vervolgens door loc- of wissel-decoders worden omgezet in de gewenste acties.

Er zijn twee typen decoders: stationary en loc-decoders. De stationaire variant wordt in de layout ingebouwd voor het bedienen van wissels, seinen en andere functies als licht, etc. De variant die in locomotieven wordt ingebouwd is een stuk kleiner en kan vaak behalve het aansturen van de motor ook diverse andere functies controleren zoals licht en geluid.

Spoor bezet?

Om te kunnen zien of een stuk spoor al dan niet bezet is kun je vervolgens ook gebruik maken van ‘bezetmelders’. Deze kunnen worden gebruikt om bijvoorbeeld een sein op ‘stop’ te zetten in een blok voor het bezette blok. Uiteindelijk kunnen bezetmelders ook, mits geschikt, worden aangesloten op de centrale.

Integreren, Loconet

LocoNet structuur
LocoNet structuur; © Wiki

Ten behoeve van de integratie van veel – verschillende) componenten zijn ‘protocollen’ ontwikkeld om deze componenten met elkaar te kunnen laten communiceren. Het protocol dat mijn voorkeur heeft is Loconet. Dit protocol is ontwikkeld door Digitrax en is een vorm van een Local Area Network (LAN) op basis van Amerikaanse telefoonkabels. Dit maakt het mogelijk om allerlei verschillende componenten op één uniform netwerk aan te sluiten. Een daarvoor geschikte centrale kan dan via datzelfde netwerk communiceren met alle aangesloten componenten.

Naast het LocoNet-protocol bestaan er nog andere aansluitmethodes: s88 (Märklin), I²C-bus (Märklin), Rs (Lenz), Sx (Selectrix), Can-Bus (Zimo) en XPressNet (voorheen XBus) (Lenz).

Computer-besturing

En als laatste kan via een daartoe geschikte interface kan de DCC centrale worden aangesloten op een computer. Die aansluiting kan dan door allerlei Besturingssoftware worden gebruikt om de layout via de computer aan te sturen.

Gemaakte keuzes

Verdere (hardware) overwegingen en keuzes op dat gebied en keuzes voor Washtown vind je hier op de onderliggende pagina’s.